PiggyLeaks

Een voormalig medewerkster van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) moet voor de rechter verschijnen omdat ze een intern rapport naar buiten bracht over veetransporten. In dit rapport werden allerlei misstanden in slachthuizen en bij veetransporten aan de kaak gesteld, maar haar superieuren achtten het politiek niet opportuun om het op de agenda te zetten. Economische belangen prevaleerden volgens haar boven dierenwelzijn en volksgezondheid.

De VWA is de opvolger van de Keuringdienst van Waren (VWS) en Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (Landbouw), die na een ambtelijke strijd onder Landbouw is geplaats.  De slager keurt hier dus duidelijk zijn eigen vlees. De plaatsing van Landbouw onder Economische Zaken is wat dat betreft van een opvallende helderheid, al zal dat wel niet het onderliggende motief zijn geweest.

De parallellen met de dossiers over Q-koorts en vee-gerelateerde MRSA en ESBL zijn niet over het hoofd te zien. De bedrijfstak zelf zit daarbij in een onmogelijke spagaat, want waar platte marktmechanismen van toepassing zijn is het economische zelfmoord om aandacht te hebben voor zaken die niet direct in geldelijk gewin zijn om te zetten.

 

Naar aanleiding van dit bericht moest ik denken aan de organisatie rondom onze medische microbiologische laboratoria. Moeten wij ook waken voor oneigenlijke argumenten in onze bedrijfsvoering? De Inspectie voor de Gezondheidszorg controleert de kwaliteit van de Medische Microbiologie in zijn volle breedte. Dat wil zeggen, zij formuleert kritiek en adviezen uitgaande van zowel onze diagnostische taken, als al onze andere organisatorische, adviserende en educatieve taken. Ook op het gebied van de Openbare Gezondheidszorg geeft zij helder weer dat wij een taak hebben om zowel met diagnostiek als onze kennis de volksgezondheid te dienen. De rol van de arts-microbioloog is essentieel en wordt als voorwaarde gezien om in de medische microbiologie te mogen opereren. Uit de rapporten van de Inspectie blijkt duidelijk dat zij zich niet laat leiden door de belangen van het veld en zij krijgt zelfs verwijten dat ze daar volstrekt geen oog voor heeft.

De IGZ stelt bovendien dat een MML geaccrediteerd dient te zijn volgens CCKL. Bij deze accreditatie worden auditoren ingezet vanuit het vak, omdat in de medische microbiologie het werken volgens de opgeschreven protocollen nog niet garandeert dat er ook state-of-the-art wordt gewerkt en geen pathogenen worden gemist door bijvoorbeeld verkeerd gekozen voedingsbodems. Deze accreditatie organisatie ressorteert tegenwoordig onder de Raad voor Accreditatie. Dit is een professionele organisatie die zich bezighoudt met beheersing en borging van procedures, als een proxy voor kwaliteit. Een terecht punt van zorg dat bij de RvA leeft is de onderlinge vergelijkbaarheid van accreditatiebezoeken. Als NVMM zullen we moeten investeren in het leveren van voldoende auditoren en zeker ook teamleiders en in de onderlinge afstemming van het auditproces.

Met bovengenoemde controlemechanismen zouden we in Nederland een uitstekende Medische Microbiologie moeten kunnen aanbieden, waarbij marktmechanismen zouden kunnen helpen deze zorg efficient en goedkoop te houden. Echter, marktmechanismen veronderstellen dat de voorwaarden voor alle partijen gelijk zijn. En als er partijen zijn die proberen te sjoemelen met de kwaliteit, dan zijn er de controlemechanismen die er voor zorgen dat dit soort onevenwichtigheden worden rechtgezet. En dat is precies waar de schoen wringt.

Ik ben ervan overtuigd dat we als NVMM leden constant bezig zijn met de kwaliteit van onze dienstverlening. Deels door omstandigheden gedwongen, maar ook omdat we ondernemend zijn, wordt de markt verkend en gekeken waar er mogelijkheden liggen om de adherentie te vergroten of specifieke “producten” in de markt te zetten. Samenwerking en onderlinge uitwisseling die de kwaliteit ten goede komt loopt daarbij natuurlijk gevaar, maar tot nog toe lijkt dit niet tot problemen te leiden, behoudens enkele aanloop oneffenheden.

Wat wel marktverstorend werkt is de onevenwichtigheid waarmee de bevoegde instanties de medisch microbiologische dienstverlening bejegenen. Enerzijds stelt de IGZ in haar rapport uit 2008:  “de arts-microbioloog heeft een brugfunctie tussen laboratorium en kliniek en is medebehandelaar. Deze brugfunctie is onmisbaar voor een veilige patientenzorg  en wordt in het algemeen naar tevredenheid ingevuld.” Elders stelt de IGZ dat medisch microbiologische diagnostiek plaats dient te vinden in een Medisch Microbiologisch Laboratorium, dat wil zeggen met een arts-microbioloog aan het hoofd en CCKL geaccrediteerd en dat ze onderzoek zal doen in 2009 naar niet-MML laboratoria waar  medisch microbiologische diagnostiek plaatsvindt. Om te beginnen worden wij benadeeld, doordat dit onderzoek nog steeds niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast is dit onderzoek onvoldoende, op het moment dat een laboratorium zich niet in Nederland bevindt. Het ligt dus ook veel meer voor de hand dat de IGZ de uitspraak doet dat medisch microbiologische diagnostiek verricht dient te worden in MML’s en dat zij deze intensief zal monitoren om te bezien of ze de kwaliteit leveren die van hen verwacht mag worden. Het MML krijgt daarbij de plicht aan te tonen dat zij voldoen aan de eisen die door de IGZ zelf zo prominent in de schijnwerper zijn gezet als essentieel voor veilige patientenzorg.

Een andere marktverstoring vindt plaats op het terrein van de diagnostiek voor de openbare gezondheidszorg (OGZ). Het CIb heeft zwaar ingezet om de betrokkenheid tussen GGD-en en MML’s te verbeteren, door het instellen van RACcers en COMmers. In het algemeen zijn er goede contacten tussen artsen-infectieziektenbestrijding van de GGD en artsen-microbioloog van het MML. De bijbehorende diagnostiek weegt niet op tegen de geleverde inspanningen, maar door de SOA-diagnostiek wordt dat wel gecompenseerd. En daar treedt een nieuwe marktverstoring op, doordat GGD-en selectief de SOA-diagnostiek gaan aanbesteden en deze enkel en alleen op prijs beoordelen. Dat gaat dus voorbij aan de kwaliteit die van een laboratorium wordt verwacht, de service, maar de samenwerking op het bredere terrein van de OGZ. Versnippering, om niet te spreken van versplintering, van de openbare gezondheidszorg is niet denkbeeldig.

 

Hoe zouden alle betrokken partijen terugkijken op deze periode, waar nog geen onomkeerbare schade is toegebracht aan de zo zorgvuldig opgebouwde intramurale en extramurale medisch microbiologische zorg, op het moment dat over 5 jaar een voormalig medewerker van een overheidsinstelling wroeging krijgt en een grote hoeveelheid onthullende documenten zou publiceren? Documenten waaruit zou blijken dat korte termijn economische en politieke belangen, zowel in de veterinaire als in de humane gezondheidszorg prevaleerden boven de belangen van de volksgezondheid. En vooral, zouden deze partijen dan verbaasd zijn of zouden ze beschaamd moeten erkennen dat dit een voorkombaar en voorspelbaar gevolg was van de boekhoudersmentaliteit die helaas ook onderdeel uitmaakt van de van arseen doordrenkte genen van dit mooie land.